Ik ben de deur: In 2 Korintiërs 2:1 en Johannes 10 (Vierde paasweekend)

Eu sou o portão: At 2, 1Pt 2 e o bom pastor em Jn 10 — IV domingo pascal

Ik ben de deur van de schapen: door mij binnen te gaan, zal ieder gered worden.

Jo 10,7.9

De vierde zondag na Pasen van het Jaar A, de Zondag van de Goede Herder, verbindt drie teksten rond de figuur van de herder en de schapen. Hand 2,14a.36-41 voltooit Petrus’ toespraak op Pentekost: God heeft Heer en Christus gemaakt, Jezus die gij gekruisigd hebt. Het ontroerde publiek vraagt wat zij moeten doen, en Petrus nodigt uit tot doop. 1 Petrus 2,20b-25 stelt Christus voor als model van onschuldig lijden en als Herder wiens schapen zich naar hem toe keren wanneer ze verspreid zijn. Johannes 10,1-10 biedt de parabels van de herder en de deur: Jezus is de deur van de schapen, door wie men binnenkomt om gered te worden en weidegrond te vinden. De drie teksten beschrijven dezelfde realiteit: de Opgestane die roept, ontvangt, voedt hen die via de enige deur binnengaan.

I. De eerste lezing: Hand 2,14a.36-41

Petrus sluit zijn toespraak op Pentekost af met een ernstige verklaring: «Wist gij zeker dat God Heer heeft gemaakt en Christus deze Jezus, die gij gekruisigd hebt?» (Hand 2,36). De bekering van Christus tot Heer is het kernpunt van het vroege kerygma. Het ontroerde publiek vraagt: «Wat moeten wij dan doen, broeders?» (v.37). Petrus antwoordt: «Berouw u en laat elk van u zich dopen in de naam van Jezus Christus voor vergeving van zonden, en gij zult het geschenk van de Heilige Geest ontvangen» (v.38). De belofte is voor hen, hun kinderen en allen die de Heer roept. Op die dag werden ongeveer drie duizend mensen gedoopt (v.41). Deze toespraak op Pentekost vormt de historische geboorte van de Kerk: van de verkondiging van de opstanding tot de doop, in één dag, bij de openbaring van de Heilige Geest.

II. De tweede lezing: 1 Petrus 2,20b-25

Petrus moedigt christenen aan om onrechtvaardig lijden te verdragen, door Christus als voorbeeld te nemen: «Als gij in het goede lijdt en volharding onderdrukt wordt, is dat een genade voor u bij God» (1 Petrus 2,20b). Hij beschrijft Christus als model: «Hij die geen zonde heeft begaan, maar uit de mond van God is als een schap naar de dood geleid, en door zijn lijden heeft hij veel mensen tot de gerechtigheid gebracht» (vv.22-23). Hij droeg onze zonden in zijn lichaam op het kruis, om ons te verlossen van het kwaad: «Hij was niet als een schap dat de herder verlaat, maar als de schapen zelf ging hij naar de dood toe» (v.25). De metafoor van herder en schapen komt uit Jesaja 53, het lied over de lijdende dienaar: Christus is zowel de herder als het lam dat voor alle andere lams wordt opgeofferd.

III. Het evangelie: Johannes 10,1-10

Jezus gebruikt een beeld uit het Palestijnse plattelandsleven. Wat door de poort van de schapenstal binnenkomt, is de herder: de bewaker opent de deur, de schapen luisteren naar zijn stem, hij roept zijn schapen bij naam en leidt ze naar buiten. Ze volgen hem omdat ze zijn stem herkennen (Johannes 10,3-4). De farizeeën begrijpen het beeld niet. Jezus verduidelijkt: «Ik ben de deur voor de schapen» (vers 7). De voorlopers van Jezus waren dieven en plunderaars; de schapen volgden hen niet. «Ik ben de deur: als iemand door mij binnenkomt, zal hij gered worden. Hij kan binnen- en buitenlopen en zal weiden vinden» (vers 9). De dief komt alleen om te stelen, te doden en te vernietigen. Jezus kwam «dat zij leven hebben en in overvloed leven» (vers 10). De parabool beschrijft het verband tussen Jezus en elke gelovige met drie elementen: wederzijdse kennis (de herder kent de schapen bij naam, de schapen herkennen de stem van de herder), veiligheid (door de deur binnen- en buitenlopen is men beschermd) en overvloed (niet alleen overleven maar leven in overvloed).

IV. Maria en de schaap dat nooit verloren ging

1 Petrus 2 verwijst naar Jesaja 53 en stelt dat christenen als schapen waren die verspreid waren voordat ze terugkeerden bij hun herder. Maria vormt een uitzonderlijke uitzondering: het schaap dat nooit verloren ging. Door de genade van de Onbevlekte Ontvangenis is Maria nooit op het pad van de verloren schapen gestapt, ze had nooit herwonnen hoeven worden. Johannes 10 stelt dat de herder zijn schapen bij naam roept en ze zijn stem herkennen: in de Annunciatie riep de engel Maria bij naam, «vol genade», en ze herkende onmiddellijk de stem van de eeuwige herder van Israël. Het antwoord van Maria toen ze werd genoemd was het fiat: het schaap dat zonder aarzeling achter zijn herder aanloopt. Handelingen 2 beschrijft de geboorte van de kerk op Pentekost met drieduizend gedoopte gelovigen: Maria was aanwezig in die kamer (Handelingen 1,14), Moeder van de gemeenschap die werd geboren. Elk van deze drieduizend kwam door de poort van Christus binnen, wat Maria dertig-drie jaar eerder had ontvangen. De Zondag van de Goede Herder nodigt de discipel uit om de stem te herkennen die hem bij naam roept, zoals Maria deed, en via de poort te lopen die leven in overvloed biedt.

Postgraduaat in Mariologie

Wilt u uw kennis van Mariologie verdiepen? Ontdek het Postgraduaat in Mariologie van Locus Mariologicus – een academische opleiding die theologische strengheid, spirituele levenswijze en de levende traditie van de Kerk combineert.

Inschrijven of meer weten? →

Related Articles

Responses