Het licht schijnt in de duisternis: Is 8,9; 1Kor 1 en de eerste discipelen in Mt 4.
Zondag van het Gewone Jaar A – Drie teksten over de openbare missie van Jezus
Bijbelse citaten
Is 8,23b-9,3: Het volk dat in duisternis zat, zag een grote licht. Over hen die in het land van de doodse schaduw woonden, schijnde een licht. (Is 9:1)
Mt 4,16: …en hij kwam naar Galilea, en maakte zich op om te prediken, zeggend: “De tijd is vervuld, en het koninkrijk Gods is nabij; bekeer u en gelovig aan het evangelie.”
De tekstuitleg
I. Eerste lezing: Is 8,23b-9,3
De profeet Isaäas voorspelt een licht dat zal verschijnen na de duisternis, symbolisch voor de komst van redding en hoop (Is 8:23b). Dit licht wordt geassocieerd met de overwinning op onderdrukking en dood, vergelijkbaar met de vreugde van een oogst of een krijger die zijn buit verdeelt. De context verwijst naar Galilea, een gebied dat te lijden had onder Assyrische invallen, maar dat later zou worden verheven (Is 8:23b).
Matteüs interpreteert deze profetie als vervuld wanneer Jezus zich vestigt in Cafarnaum, in de regio’s Zabulon en Naftali (Mt 4:13). Jezus zelf is het licht dat Isaäas voorspelde.
II. Tweede lezing: 1Cor 1,10-13.17
In zijn brief aan de Corintiërs roept Paulus op tot eenheid onder de gelovigen: Laat er geen scheidingen onder u zijn, maar wees verenigd in dezelfde geest en op dezelfde manier van denken (1Cor 1:10). Hij is verontwaardigd over de verdeeldheid binnen de kerk te Corintus, waar mensen zich identificeren met verschillende predikers zoals Paulus, Apollo, Petrus of Christus zelf (1Cor 1:12).
Paulus benadrukt dat Christus niet verdeeld kan zijn en dat de boodschap van het evangelie geen oorzaak mag zijn voor scheuringen. Hij werd niet gezonden om te dopen, maar om te evangeliseren; de kracht van Christus’ kruis moet niet worden ondermijnd (1Cor 1:17). De eenheid van de gelovigen weerspiegelt de onverbrekelijke eenheid van Christus.
III. Evangelie: Mt 4,12-23
In deze passage begint het openbare ministerie van Jezus in Galilea. Na de gevangenneming van Johannes de Doper gaat Jezus naar Cafarnaum en begint hij te prediken met de boodschap van berouw (Mt 4:12-17). Hij roept vier vissers op om met hem te volgen, wat het begin markeert van zijn discipelengemeenschap.
Wanneer Jezus hoorde dat Johannes gevangen was genomen, trok Hij zich terug naar Galilea en vestigde zich in Cafarnaum, aan de oever van het meer, in de gebieden van Zebulon en Naftali (Mt 4,12-13). Matteüs ziet hier het vervullen van Is 8,23-9,1: «Het volk dat in duisternis leefde, zag een grote licht» (v.16). En Jezus begint Zijn prediking met de woorden: «Berouw u, want het koninkrijk der hemelen is nabij» (v.17). Terwijl Hij langs het meer liep, zag Hij twee broers, Simon, die later Petrus werd genoemd, en Andreas, terwijl zij net hun netten uitwierpen, en riep hen: «Volg mij, en ik zal jullie tot vissers van mensen maken» (v.19). Zij verlieten onmiddellijk hun netten en volgden Hem (v.20). Later zag Hij nog twee broers, Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, terwijl zij in hun boot met hun vader aan het repareren waren, en riep hen ook. Zij verlieten hun boot en hun vader en volgden Hem (vv.21-22). Jezus reisde door heel Galilea, onderwees, predikte het evangelie van het koninkrijk en geneesde alle ziekten en kwalen onder het volk (v.23). De roeping van Matteüs is gestructureerd als een spiegelbeeld: Jezus ziet, roept, zij verlaten en volgen. Het onmiddellijke opgeven van hun netten en vader is geen onverantwoordelijkheid, maar erkent dat het licht dat Isaias voorspelde, is aangekomen.
IV. Maria en het licht van Galilea
Isaias voorspelt het grote licht voor «Galilea der Heiden». Nazareth, waar Maria woonde, is een stad in Galilea, dus Maria is letterlijk de dochter van dit land waar Isaias het licht belooft. Zij die haar hele leven in Nazareth heeft doorgebracht, die Jezus in deze Galilea-stad zag opgroeien, is de eerste bewoner van Galilea waarop dat grote licht schijnt. De aankondiging vond plaats in Nazareth: het licht kwam eerst naar Galilea via Maria, voordat Jezus begon te prediken in Cafarnaum. 1 Korinten 1 roept tot eenheid tegen verdeeldheid: Maria heeft nooit een factie rond zichzelf gecreëerd. Zij die zei «Hoe kan dit zijn, ik ken geen man», volgde de logica van God. Haar leven is het tegengif voor de verdeeldheid in Korinten: er is geen «Ik ben van Maria» tegen «Ik ben van Christus», omdat Maria alleen bestaat om naar Christus te wijzen. De roeping van de eerste discipelen in Matteüs heeft een stilte-voorloper: Maria werd voor hen geroepen, bij de aankondiging. Zij liet haar eigen logica achter, «Hoe kan dit zijn…», en volgde die van God.
Responses