De huwelijkse verbintenis van Maria en Jozef: een echt huwelijk

De huwelijk van Maria en Jozef verwijst naar het rechtmatige en geldige huwelijk dat de Maagd van Nazareth met de timmerman uit het huis van David verbond. Aan de vraag of Maria en Jozef getrouwd waren, beantwoorden zowel de Schrift als de Kerk met een overtuigend ja: volgens de Joodse huwelijksgebruiken vormden de qiddushin (of erusin) al een volledig geldige huwelijksband, en daarom noemen de evangeliën Maria zelfs al ‘vrouw van Jozef’ voordat ze samenwoonden (Matteüs 1,18-25 en Lucas 1,27). Het huwelijk van Maria en Jozef was derhalve zowel een echt als een maagdelijk huwelijk – een uniek huwelijk in de geschiedenis van de redding, dat in de liturgische traditie gevierd wordt op 23 januari, de feestdag van de huwelijken.

Het Joodse huwelijk in twee fasen: qiddushin en nissuin

Om de betekenis van de qiddushin te begrijpen, moeten we de moderne categorie van ‘verloofd’ achterlaten. In het jodendom van de Tweede Tempel vond het huwelijk plaats in twee afzonderlijke momenten, die meestal een jaar uit elkaar lagen. De eerste fase waren de qiddushin (of erusin): in het bijzijn van getuigen verwierf de man de vrouw als zijn echtgenote door zijn toestemming en de overhandiging van de mohar, de bruidssom die de echtgenoot aan de bruid betaalde. Vanaf dat moment was de vrouw juridisch gezien een volledige echtgenote. Dit blijkt ook uit de eigenlijke Thora: in Deuteronomium 22,23-24 wordt een jonge vrouw die zich bij een andere man aansluit als ontaard beschouwd, met dezelfde straffen als een getrouwd vrouw, en de ontbinding van het huwelijk vereiste een echtscheidingsbrief (get), niet gewoon een breuk van de verbintenis.

De tweede fase waren de nissuin: de huwelijksviering waarbij de echtgenoot de vrouw uit het huis van haar ouders meenam naar zijn eigen huis, waarmee de samenwoning begon. Tijdens deze periode bleef de vrouw bij haar familie, maar zij was niet langer ‘verloofd’ in onze zin; zij was een echtgenote die op haar nieuwe huis wachtte. Precies in deze periode plaatsten de evangeliën de aankondiging en de onbevlekte ontvangenis van Jezus.

Wat zeggen de evangeliën: Matteüs 1,18-25 en Lucas 1,27

Matteüs begint zijn verhaal met juridische nauwkeurigheid: μνηστευθείσης τῆς μητρὸς αὐτοῦ Μαρίας τῷ Ἰωσήφ, ‘waarop Maria, zijn moeder, met Jozef was verloofd’ (Matteüs 1,18). Lucas gebruikt hetzelfde werkwoord: de engel werd gestuurd naar ‘een verloofde vrouw genaamd Maria met een man genaamd Jozef’ (παρθένον ἐμνηστευμένην, Lucas 1,27). Het Griekse werkwoord mnesteuomai drukt technisch de qiddushin uit: Maria was al de echtgenote van Jozef, nog voor ze samenwoonden.

De engel bevestigt dit ook. In Matteüs 1,20 zegt hij aan Jozef: ‘Wees niet bang om Maria, τὴν γυναῖκά σου (letterlijk ‘je vrouw’) te ontvangen’.

In het Catecisme wordt het verhaal als volgt beschreven: «Sint- Jozef werd door God opgeroepen om “Maria, zijn vrouw, naar zijn huis te nemen”, die zwanger was van “die die in haar door de kracht van de Heilige Geest geboren zou worden” (Mt 1, 20), zodat Jezus, “de Christus genoemd”, geboren zou kunnen worden uit de vrouw van Jozef, in de messiaanse afstamming van David (Mt 1, 16).” (Catecisme van de Katholieke Kerk, nr. 437). Wat de engel in een van de dromen die zijn hele missie vormgaven van Jozef vraagt, is niet dat hij zich zou trouwen, maar dat hij het reeds bestaande huwelijk zou voltooien: dat hij de bruid naar zijn huis zou brengen.De gehoorzaamheid van Jozef wordt beschreven met de exacte terminologie van de tweede huwelijksperiode: «Geroepen om de Verlosser te beschermen, “nam Jozef zijn vrouw in, zoals hem de engel van de Heer bevolen had” (Mt 1, 24)» (Johannes Paulus II, Redemptoris Custos, nr. 1). De Griekse woordstelling in Mt 1,24, «παρέλαβεν τὴν γυναῖκα αὐτοῦ», “zijn vrouw ontving”, is de technische taal van de huwelijksvoltrekking. Het Catecisme vat de situatie uit Lc 1,27 op dezelfde manier samen: God koos een «maagd die verloofd was aan een man uit het huis van David, genaamd Jozef» (CIC 488), waar «verloofd» de vrouw van de qiddushin (verloving) aanduidt die nog niet naar huis gebracht is.

Een echt en maagdelijk huwelijk: Augustinus en Thomas van Aquino

Als het huwelijk echt was, blijft de theologische vraag bestaan: is een nooit geconsumeerd huwelijk een echt huwelijk? Sint-Augustinus antwoordde met een klassiek argument. In zijn geschriften over het huwelijk toont hij aan dat de drie elementen die het huwelijk definiëren in de unie van Maria en Jozef aanwezig waren: de nakomeling (Jezus, die niet buiten het huwelijk geboren werd, maar in het huwelijk werd ontvangen en beschermd), de trouw (geen overtreding van het huwelijksbed) en de heilig verbond, onbreekbaar. Volgens Augustinus is het huwelijk gedefinieerd door de instemming van de echtgenoten, niet door de handeling van het lichaam – en de instemming van Maria en Jozef was volledig.Sint-Thomas van Aquino, in de Summa Theologicae (III, q. 29), formuleert de zaak: het huwelijk van Maria en Jozef was echt omdat het de perfectie van zijn essentiële vorm bereikte, de onverbrekelijke unie van de zielen door de huwelijksinstemming. Wat de nakomeling betreft, merkt Thomas op dat deze zich ook op een uitzonderlijke manier vervulde: Jezus werd niet buiten dat huwelijk geboren, maar werd in het huwelijk ontvangen, beschermd en opgevoed. De maagdelijkheid heeft niets afgedaan aan de waarheid van het huwelijk, want de fysieke voltooiing behoort tot de integriteit van het teken, niet tot zijn essentie. Dit is de theologische grondslag voor de Onbevlekte Ontvangenis van Maria die binnen een echt verloofdschap leefde.Het moderne Magisteraat heeft deze stelling onwrikbaar bevestigd.Leen XIII, na encyclique *Quamquam pluries* (1889), leert dat tussen de Heiligste Maagd en Jozef een ware huwelijksband is ontstaan, en dat Jozef, precies om deze reden, dichter bij de uiterst hoge waardigheid van de Moeder van God is gekomen dan enig ander schepsel. Johannes Paulus II trekt de cruciale conclusie: “Zoals uit de evangeliën blijkt, is het huwelijk met Maria de juridische grondslag voor de vaderlijke heerschappij van Jozef. God koos Jozef als echtgenoot van Maria om de beschermende vaderlijke zorg voor Jezus te waarborgen” (Redemptoris custos, nr. 7). Daarom is de vaderlijkheid van Sint-Jozef geen vroomheidspictuur: “Zijn vaderlijkheid is echter niet alleen ‘apparente’ of ‘substitutief’; zij is volledig authentiek, zowel in menselijke zin als in de missie van een vader binnen het gezin” (Redemptoris custos, nr. 21). Een zoon van de echtgenote is, volgens het recht van Israël, een zoon van de echtgenoot: Jezus is de zoon van David omdat Maria echt met Jozef was getrouwd.

De feestdag van de huwelijksceremonie: 23 januari

De Kerk heeft dit mysterie niet ongemerkt gelaten. De devotie voor het huwelijk van Maria en Jozef kreeg in de 15e eeuw een impuls door Johannes Gerson, kanselier van de Universiteit van Parijs, een groot voorstander van de verering van Sint-Jozef, die het onbevlekte huwelijk in zijn geschriften en preken tijdens het Concilie van Konstanz heeft geprezen. In de daaropvolgende eeuwen verspreidde de feestdag van de huwelijksceremonie van Maria en Jozef zich door bisdommen en religieuze gemeenschappen, en werd vastgelegd op 23 januari. Het is nooit permanent in het universele Romeinse kalender opgenomen, maar bestaat nog steeds in de eigen kalenders van orders en congregaties, vooral die met een josefijnse spiritualiteit, als herinnering aan de dag waarop de *Heilige Familie* juridisch is ontstaan.

Conclusie: het huwelijk dat het mysterie ondersteunt

De huwelijksceremonie van Maria en Jozef is meer dan een curiositeit uit de bijbelse archeologie: het is een fundamenteel onderdeel van de incarnatie. Door het huwelijksband, komt Jezus in de messiaanse afstamming van David, ontvangt Hij een vader volgens het wet, en groeit Hij op in een echt gezin. Paus Franciscus vat het samen in één zin: “De grootheid van Sint-Jozef ligt in het feit dat Hij de echtgenoot van Maria en de vader van Jezus was” (Patris corde, nr. 1). Eerst echtgenoot, dan vader: dat is de volgorde van de mysteries. Wie dieper in de betekenis van dit huwelijk binnen de theologie over Sint-Jozef wil duiken, vindt een volledig overzicht in ons artikel over *josefologie, de katholieke theologie over Sint-Jozef*.

Veelgestelde vragen

Maria e José eram casados de verdade?

Sim. Segundo o costume judaico, os desposórios (qiddushin) já constituíam vínculo matrimonial pleno e válido, dissolúvel apenas por carta de divórcio. Por isso os evangelhos chamam Maria de esposa de José (Mt 1,20.24) antes mesmo da coabitação, e a Igreja sempre ensinou que se tratou de um matrimônio verdadeiro, ainda que virginal.

O que eram os desposórios no casamento judaico?

Eram o primeiro dos dois tempos do matrimônio judaico. Nos qiddushin, o homem tomava a mulher como esposa diante de testemunhas, mediante consentimento e a prestação nupcial (mohar). Cerca de um ano depois vinham os nissuin, quando o esposo conduzia a esposa à sua casa. Entre os dois momentos a mulher já era juridicamente casada, embora vivesse na casa paterna.

Por que Mateus chama Maria de esposa de José antes de viverem juntos?

Porque em Mt 1,18 Maria já tinha celebrado os desposórios (em grego, o particípio de mnesteuomai), que no direito judaico faziam dela esposa em sentido pleno. O anjo confirma isso ao dizer a José «não temas receber Maria, tua mulher» (Mt 1,20): pede que ele complete o casamento existente conduzindo-a ao lar, não que inicie um novo.

O casamento de Maria e José foi consumado?

Não. Foi um matrimônio virginal: verdadeiro quanto ao vínculo, mas sem união carnal. Santo Agostinho mostrou que os três bens do matrimônio (prole, fidelidade e vínculo indissolúvel) estavam todos presentes, e São Tomás de Aquino ensinou que a essência do casamento está no consentimento conjugal, não na consumação.

Quando se celebra a festa dos desposórios de Maria e José?

A festa dos desposórios celebra-se a 23 de janeiro. Difundiu-se a partir do século XV, impulsionada por Jean Gerson, e espalhou-se por dioceses e ordens religiosas. Hoje não consta do calendário universal romano, mas permanece em calendários próprios de várias famílias religiosas, sobretudo de espiritualidade josefina.

Related Articles

Responses