Patristieke Mariologie: Maria in de vaders van de Kerk

Mariologia patrística: Maria nos padres da Igreja

Mariologie patristische: de ontwikkeling van het Maria-denken in de Vaders van de Kerk, van de eerste eeuwen tot Johannes Damascenus.

Mariologie patristische: inleiding

Mariologie patristisch is het onderzoek naar het denken van de Vaders van de Kerk over Maria, Moeder van Jezus. Het omvat de geschriften van de eerste zeven eeuwen van het christendom, waarin de belangrijkste thema’s van de Mariologie zich kristalliseerden: de goddelijke moederschap, de eeuwige maagdelijkheid, de oorspronkelijke heiligheid, het parallel tussen Eva en Maria en de geestelijke moederschap.

I. Mariologie patristisch in de 2e eeuw: Justinus Martelaar en Ireneus

De mariologische patristiek van de 2e eeuw ontvouwt zich met Justinus Martelaar en vooral Ireneus van Lyon. Justinus formuleert voor het eerst het parallel Eva-Maria: wat Eva door ongehoorzaamheid heeft gedaan, ongedaan maakte Maria door gehoorzaamheid. Ireneus verdiept deze typologie in zijn werk Tegen de ketterij en toont Maria als de Nieuwe Eva, mede-werkster aan de Verlossing.

II. Mariologie patristisch in het Oosten: Athanasius en de Cappadociërs

In de 4e eeuw bloeit de Oosterse mariologische patristiek op. Athanasius verdedigt de goddelijkheid van Christus en daarmee ook het goddelijke moederschap van Maria. De Cappadociërs (Basilius, Gregorius van Nazianze en Gregorius van Nyssa) integreren Maria in de trinitaire theologie. Efrem Syriër zingt Maria in rijk symbolische hymnen. Cyrillus van Jeruzalem presenteert Maria in zijn doopprekeningen.

III. Mariologie patristisch in het Westen: Ambrosius en Augustinus

De Westerse mariologische patristiek kent haar eerste grote meester in Ambrosius: Maria is het type van de Kerk, maagd en moeder. Augustinus breidt deze intuïtie uit: de Kerk imiteert Maria door kinderen aan God te baren via het Woord en de sacramenten. Voor Augustinus is Maria de geestelijke moeder van alle gelovigen. Zo legt de Westerse mariologische patristiek de basis voor de latere kerkelijke Mariologie.

IV. Efeze en de Theotokos

Het Concilie van Efeze (431) vormt het hoogtepunt van de mariologische patristiek: Maria wordt gedefinieerd als Theotokos, Moeder van God, tegen Nestorius. Cyrillus van Alexandrië is de belangrijkste speler in deze gebeurtenis. De definitie van Efeze is echter geen noviteit; ze weerspiegelt eerder het al aanwezige geloof in de liturgie, gebeden en eerdere patristische geschriften. Na Efeze wordt de mariologische patristiek verder uitgebreid in homilieën over Maria, vooral in Byzantium.

V. Mariologie patristisch in de late periode: Johannes Damascenus

De mariologische patristiek bereikt haar hoogtepunt met Johannes Damascenus (8e eeuw), in zijn Homilieën over het Slaapfeest: Maria is de Volmaakte Genade, de Allerheiligste, verheven tot glorie in hemel en aarde. Met Damascenus wordt de mariologische patristiek doorgegeven aan de Middeleeuwen en de Byzantijnse Mariologie. Voor een diepgaander onderzoek raadpleeg het Mariologie-portaal op Locus Mariologicus, de Theologische mariologie en het Patristische Mariologisch Woordenboek op dezelfde website.

Postgraduaat in Mariologie

Wilt u uw kennis van Mariologie verdiepen? Ontdek het Postgraduaat in Mariologie van Locus Mariologicus – een academische opleiding die theologische strengheid, spirituele levenswijze en de levende traditie van de Kerk combineert.

Inschrijven of meer informatie →

Related Articles

Responses