Wij zijn geroepen: de werkers in de wijngaard en Maria, geroepen sinds de ochtend van de schepping.

Vocati sumus: os operários da vinha e Maria chamada desde a manhã da criação
**Citaat:** “Het koninkrijk der hemel is als het huis van een vaderfamilie, die ‘s ochtends vroeg arbeiders inhuurt voor zijn wijngaard. […] Zo zullen de laatste de eersten zijn en de eersten de laatste.” (Matteüs 20:1-16)**Inleiding:** De parabool van de wijngaardwerkers uit Matteüs 20:1-16 is een van de meest verrassende passages in het Evangelie volgens Matteüs. Een werkgever huurt gedurende de dag arbeiders in (bij zonsopgang, om 9 uur, middag, 3 uur en 5 uur) en betaalt aan het einde iedereen dezelfde loon, een denier. De arbeiders die al sinds zonsopgang hadden gewerkt, klagen dat ze meer verdienen. De werkgever verdedigt echter zijn vrijheid om iedereen hetzelfde te geven. Het conclusie luidt: “De laatste zullen de eersten zijn en de eersten de laatste” (Matteüs 20:16). Deze parabool gaat niet over arbeidsrecht, maar over de logica van genade: het koninkrijk wordt niet verdiend maar geschonken, en de omvang van de schenking is afhankelijk van de vrijgevigheid van de Schoner, niet van de verdiensten van de ontvanger.**Context:** Deze parabool volgt op de vraag van Petrus in het vorige hoofdstuk: “Wij hebben alles achter ons gelaten om u te volgen; wat zullen wij krijgen?” (Matteüs 19:27). Jezus beloofde het céntupel en het eeuwige leven, maar voegde de parabool toe als een waarschuwing: de beloning van het koninkrijk is niet gerelateerd aan menselijke inspanning of diensttijd. De leerling die “vroeg” begon, heeft niet meer recht op loon dan degene die “laatst” begon, want geen van beiden “verdient” de denier van het eeuwige leven. Iedereen ontvangt het als een genade.**I. “Quid iustum fuerit, dabo vobis” – Rechtvaardigheid als geschenk:**De werkgever zegt tegen de nieuw ingehuurde arbeiders: “Geef mij wat rechtvaardig is” (Matteüs 20:4). Zijn belofte aan de dagelijkse huurlingen is opzettelijk vaag qua bedrag. De “rechtvaardigheid” van de werkgever is niet proportioneel rekenen (diensttijd x loon), maar zijn soevereine vrijgevigheid. Door iedereen hetzelfde te betalen, schendt hij geen rechtvaardigheid, hij houdt zijn belofte na, maar gaat zelfs verder dan gerechtigheid: hij geeft meer dan verwacht.De klacht van de arbeiders die het langst hadden gewerkt (“Deze laatste hebben slechts één uur gewerkt, en gij hebt hen op dezelfde voet gezet als ons, die een zware dag en een hete zon hebben doorstaan”), is de klacht over rechtvaardige verhouding in plaats van verdienste. Het schandaal van genade die ongelijke gelijkheid creëert, is voor hen onaanvaardbaar (Matteüs 20:15): “Ik kan niet accepteren dat gij zo vrijgevig bent.”De theologie achter deze parabool is de theologie van genade: redding is geen loon maar een geschenk. Wie op 70-jarige leeftijd het pad van het Evangelie betrad, ontvangt hetzelfde denier van het eeuwige leven als wie gedoopt werd in zijn kindertijd en decennia van trouw leefde. Het “onrecht” van genade is juist het centrale schandaal van het Evangelie, en maakt het juist tot “goed nieuws” voor degenen die “laatst” komen: voor de gekruisigde dief, voor Zacheus, voor Paulus, de “afgewezen baby” (1 Korintiërs 15:8).**II. “Eamus et nos in vineam” – Verschillende uren van roep:**De parabool beschrijft vijf momenten waarop arbeiders werden ingehuurd: bij zonsopgang, om 9 uur, middag, 3 uur en 5 uur. Elk moment is een verschillende fase van de roeping: sommigen werden al als kinderen geroepen, anderen in de tienerjaren, anderen in volwassenheid, anderen in ouderdom. De parabool erkent elk moment van roeping als even geldig; er is geen “te laat” in de wijngaard van de Heer.

De geschiedenis van de Kerk is de geschiedenis van deze verschillende momenten: Augustinus, genoemd “de late” (“late je lief had, O schoonheid zo oud en zo nieuw”, Conf. X,27), Sint Johannes van het Kruis bloeide pas na een lange “donkere nacht”, en Sint Ignatius van Loyola werd na zijn dertigste jaar, na een oorlogswond, geroepen. Ieder ontving de “denier” van de heiligheid niet op basis van de ouderdom van zijn roep, maar door beschikbaar te zijn voor de genade die in zijn tijd aankwam.

III. Maria: geroepen vanaf het eerste uur van de schepping

Maria is, volgens de theologische traditie, degene die werd geroepen “vanaf het eerste uur”, niet alleen in de zin van de doop als kind, maar ook in de zin van de Onbevlekte Ontvangenis: zij werd “gecontracten voor de wijngaard” voordat zij bestond, in Gods eeuwige verkiezing die haar voorbereidde als Moeder van de Zoon. De Onbevlekte Ontvangenis (8 december) is theologische gezien het “eerste uur” van de parabels: Maria werd geroepen bij het ontwaken van de geschiedenis van de redding, vóór Abraham, vóór Mozes, vóór alle economische verbond.

Maar de logica van de parabel past ook op Maria op een onverwachte manier toe: het “eerste uur” gaf haar geen voordeel wat betreft verdienste; zij ontving haar genade (de Onbevlekte Ontvangenis, de goddelijke Moederschap, de Opheffing) niet omdat zij vanaf het begin werkte, maar omdat de “patroon” haar op een unieke manier gretig koos. De verkiezing van Maria is puur de vrijgevigheid van de Vader, geen betaling voor geleverde diensten, maar een soevereine gave. Het Magnificat erkent dit: “Hij deed in mij wonderen degene die machtig is” (Lc 1,49), niet “ik heb grote dingen verricht om te verdienen”.

Het “eerste uur” van Maria heeft een dimensie voor de Kerk: zij die werd geroepen vóór iedereen anders staat in de positie van de “eerstelingen” die geneigd zijn te klagen. Maar Maria klakte nooit, het Magnificat is geen inventarisatie van verdiensten maar een gezang van dankbaarheid voor ontvangen genade. De nederigheid van de “diener” (Lc 1,48) is precies het weigeren om het “eerste uur” als titel voor vooroordel te gebruiken.

IV. “Nonne licet mihi facere”: de soevereiniteit van de genade

“Is het mij niet toegestaan om te doen wat ik wil met wat mij toebehoort? Of is jouw oog kwaad omdat ik goed ben?” (Mt 20,15), de verdediging van de patroon is de verdediging van de soevereiniteit van God over de genade. Gods genade staat niet onderworpen aan de menselijke verhoudingen: God kan hetzelfde geven aan de laatste als aan de eerste, want wat Hij geeft (het eeuwige leven) is van Hem en overschrijdt elke maatstaf van verdienste.

De leer over de Onbevlekte Ontvangenis is het meest elocvente voorbeeld van deze soevereiniteit: Maria werd behouden van de oorspronkelijke zonde niet omdat zij “meer verdiende” dan enig ander menselijk wezen, maar omdat God “wilde” haar op een vooruitlopende manier gretig te zijn. Het eeuwige decreet dat Maria voorbereidde als Moeder van de Verlosser is de soevereine beslissing van de “patroon” om dezelfde genade aan wie Hij “aan het begin van de wereld” heeft ingehuurd, te betalen.

Door Maria te beschouwen in het licht van de parabool van de wijngaardwerkers, leren we ons te verheugen over Gods genereuze gave, zonder meriten te berekenen maar met dankbaarheid het “denier” (guldens) te ontvangen dat aan iedereen gegeven wordt. Maria die zong “Hij heeft wonderen met mij gedaan” zonder te berekenen of zij meer of minder verdiende dan de anderen, is de leermeester van deze onbaatzuchtige vreugde: die de genade met open handen ontvangt, zonder voor zichzelf te bewaren noch de genade van anderen te jaloerseren.

Postgraduaat in Mariologie

Wil je je kennis van Mariologie verdiepen? Ontdek het Postgraduaat in Mariologie van Locus Mariologicus – een academische opleiding die theologische strengheid, spirituele levenswijze en de levende traditie van de Kerk combineert.

Inschrijven of meer informatie →

Related Articles

Responses